De nood in Gambuh


Twee dagen zijn Pemangku, Yeni en ik samen opgetrokken en hebben we een gedeelte van de mensen bezocht die we wilde bezoeken. De mensen waar wij komen leven allemaal aan de onderkant van het bestaan. Sommigen werken in de squin en met veel geluk 5.000 roepia per dag. Andere werken nu in het kruidnagelseizoen. De mannen hebben soms 1 week werk en de inkomsten daaruit moeten verspreid worden over een hele maand. Lukt dat? Nee, want op het moment dat ze hun salaris krijgen uitbetaald moet de elektriciteit betaald worden, moet er water gekocht worden, er moet getankt worden om naar het werk te kunnen gaan en ondanks dat er geen school is moet ook daar een bijdrage aangeleverd worden.

Niet sommigen, maar velen zijn afhankelijk van wat de natuur te bieden heeft. De cassava nog een andere knolsoort, planten die als groente gebruikt worden, slakken die gezocht worden langs het strand. Dan ben je bij een groepje huizen waar mensen bij elkaar wonen en dan komt de vrouw met een plastic zak vol met slakken aangelopen en dat is dan voor Pemangku. Dat waar ze uren naar gezocht heeft geeft ze weg. Ik zag Pemangku even wegkijken.

De gezichten komen jullie misschien bekend voor omdat dit de mensen zijn die wij telkens opnieuw bezoeken en degene die ik met heel veel plezier bezoek is Dadong. Zij is nu 105 jaar en twee jaar geleden heb ik haar voor het eerst ontmoet. Een vrouw die de Nederlanders heeft meegemaakt, de Japanse bezetting. Vroeger sprak ze zelfs een beetje Japans, maar nu was ze dat allemaal vergeten, zei ze. Mijn naam is bij haar “turis” en toen ze Pemangku hoorde praten was haar reactie meteen: “turis itu juga ada di sini”. Ze zat op haar bed en ondanks dat ze grotendeels blind is was ze offertjes aan het maken. We gingen samen naar het woongedeelte en daar begon ze te vertellen. Toen ze jong was verkocht ze de bladeren van de cassava en dan ging ze te voet naar de markt in Singaraja. Ze had dan een sjerp om waarin ze het geld bewaarde. Dat liet ze zien en jaar hoor daar zaten nog muntstukken in van 1973. Een prachtige vrouw.

Pemangku zijn zoon Agus was mee gegaan op verzoek van zijn moeder. Zij wilde hebben dat hij ook de andere kant van het leven zag. Bij Dadong zat hij heel geconcentreerd te luisteren.

We hebben 37 gezinnen bezocht en bij 20 gezinnen is een matras hard nodig, men slaapt gewoon op een dun doekje op de grond of op de planken van een bed. Ook is voedsel weer hard nodig. De meest gangbare matras kost rond de 600.000 roepia en een voedselpakket kost 255.000 roepia.

Het “goden eiland”, het eiland waar veel mensen mooie herinneren aan hebben heeft hulp nodig en voor mij zijn dat speciaal de mensen van Gambuh.

Jullie mogen doneren en ook ik realiseer me heel goed dat het in jullie land  ook moeilijk is maar toch……..

Donaties kunnen overgemaakt worden naar NL23SNSB0939530880 t.n.v. H.M.H Bus en onder vermelding: Hulp voor Gambuh op Bali

Delen mag natuurlijk.

24 september 2020